Because I’m happyyyy

Happy Highlights

Ik heb vanochtend mijn haar met Axe Dark Temptation bodywash moeten wassen omdat IEMAND (ik noem geen namen verder) ALLE shampoo had opgemaakt. Alleen voor Mannen, Dagelijkse Zonnebloem, Pluizig en Droog… allemaal op. En dan wel die lege flessen laten staan en niks zeggen. Dat kan bij koekjes en chips, dus wel ja. Waarom niet ook met shampooflessen.

Dat kun je een vrouw van middelbare leeftijd toch niet aandoen, zoiets? Loop ik straks door de plaatselijke AH, duiken er uit alle hoeken en gaten pubermeisjes op, aangetrokken door mijn onweerstaanbare geur!

Wat is er gebeurd met de tijd dat IK bepaalde wanneer het allemaal in bad ging? Dat er 1x per week haren werden gewassen met Zwitsal Babyshampoo? Twee tegelijk in één bad, want dat spaarde water? Overal schuim, dat wel, maar ach… daar kon je de dino’s zo mooi onder verstoppen.

Snif. Vrouw van middelbare leeftijd. Kinderen die niet meer samen in bad passen. Geen schuim meer. Zielige dino’s op de badrand. En raar haar. Ik weet niet of dit ooit nog goed gaat komen.

Of… zou de hond zich misschien eens gedragen vandaag? Gewoon, om mij op te beuren? Niet lachen! Dat zou toch kunnen?

Ooooh. Als ik er nou eens Axe op smeer?

Verbod

Ik heb een Magisterverbod. Het is nog pakweg 2 weken tot het eind van het schooljaar, en ik kan het gewoon niet meer aan. Na de zoveelste schreeuwpartij van mijn kant (iets over de honderden euro’s die we inmiddels aan de huiswerkbegeleiding hebben gedoneerd en kan hij dan nóg niets beters binnenslepen dan een 2) heb ik besloten dat het beter is zo.

De puber zelf heeft nergens last van. Hij heeft namelijk een app waarmee hij tot op het millipunt nauwkeurig kan uitrekenen “hoeveel hij moet halen”. Een 2,4 voor Duits? Geen probleem hoor mam, dat kan mákkelijk. Nou ben ik zo dyscalculisch als de pest, dus hij kan me op dat gebied alles wijsmaken, maar ik voel toch nattigheid. Even snel kijken wat hij dan nu gemiddeld staat… oh nee. Mag niet. Af, moeders. Af.

Ik ga later in de zorg, zo verkondigde hij laatst trots. Piet en ik keken elkaar aan. Jeetje, zoon. Wat een… nobel streven. Ik zag het al helemaal voor me, zo’n frisse jongeling aan het bed van een bejaarde. Gezellig zou het zeker worden, daar in dat verzorgingshuis!

Bejaarden? Wie zei er iets over bejaarden? Nee, hij ging medicíjnen studeren! Ze hadden het laatst erover gehad waar je veel mee kon verdienen, zijn maten en hij, en met medicijnen… langzaam stierf zijn stem weg, overstemd door het bulderende gelach van zijn vader en mij.

Dus wacht even, zeiden we hikkend. Eerst Havo… Dan het VWO… Vervolgens 6 jaar blokken aan de Uni… Dan coschappen…andere schappen… whatevs… en dannnnnn! Dannn word je plastisch chirurg to the rich and famous!

Jongen, wij staan volledig achter je. Wij wensen je enorm veel succes. Maar denk wel aan je app, hè. Zonder je app ben je nergens!

Zijn wij gemeen? Wij zijn gemeen. Gelukkig heeft hij Axe Mature. Komt het vanzelf allemaal he-le-maal goed.

Egels

Ik ben een beetje lek de laatste tijd.* Ik weet ook niet precies waardoor het komt. Het seizoen, misschien? De vergankelijkheid der dingen, dat soort symbolische prietpraat?

Dan zie ik een stukje van Taarten van Abel op tv met een stotterend jongetje dat een taart heeft gebakken voor zijn therapeute – en alsof dat allemaal nog niet erg genoeg is, gaat hij die taart ook nog bréngen. Waggelend over de klinkers, niet vallen, niet vallen! Dat kan toch ook gewoon niet? Hoe kan ik daar nou tegen opgewassen zijn?

Of we zijn de hond aan het uitlaten na het eten, lekker in het donker tegenwoordig, hond huppelend met lampje voor ons als een soort persoonlijke kerstversiering, en dan krijgen we het over de plantsoenmeneren die alle oude struikjes hebben weggehaald, en hoe weten de egels nou waar ze dan nu heen moeten, want egels hebben vast geen overzicht in hun hoofd van ons dorp, zo van: oh, daar zijn de struiken weg, nou, ik weet toevallig 3 km verder nog wel een plantsoentje, gaan we daar toch heen voor onze winterslaap? Dat doen egels niet, en flats, ligt er weer eentje platgereden op straat. En geen zakdoek mee tijdens de wandeling hè, alleen maar twee poepzakjes en een stuk of duizend hondensnoepjes.

Of ik kijk met mijn grootste puber een videoclip van een liedje dat we allebei leuk vinden, gaat het over een meisje dat van haar vader een hond krijgt voor haar verjaardag en dan op driekwart van het liedje gaat die hond dood! Natuurlijk krijgt háár dochter later ook wel weer een hond van haar vader,  maar dan is het al te laat! En als dat liedje dan op de radio is, dan zegt mijn zoon: Hier! Hier gaat hij dood, mam! Met zo’n grijns van oor tot oor erbij.

En dát dan allemaal weer in combinatie met die eyeliner, die natuurlijk niet waterproof is want dat kreeg ik er bijna niet afgebikt en als dat dan op je lens zit, dan fiets je zo die bosjes weer in. Die er nu dus niet meer zijn. Keihard op je plaat, weer een egel plat.

Daar zijn toch wel pilletjes voor? Voor dat soort dingen? Een beetje zoals die rare siliconenzakjes bij je nieuwe schoenen die alles droog houden, maar dan anders? Doe er mij maar meteen 100. Citroensmaak, graag. Want de mensen die hebben bedacht dat alles maar naar sinaasappel moet smaken, mogen van mij met de stoomboot mee naar Spanje.

 

*Van boven, niet van onder! Zo oud ben ik nou ook weer niet!

Liefde

Voor iedereen die nog steeds halsstarrig vasthoudt aan het idee dat het best wel meevalt met de fixatie van onze puberende medemens op uiterlijk vertoon en dat er ook heus ook nog wel wat liefde en empathie ergens ver weg in de rijpende frontale kwab begraven ligt: sorry. Ik moet jullie teleurstellen. Na lang en diepgravend onderzoek is gisteren het tegenovergestelde bewezen.

“Mam, kun je het eten niet ook eens zo mooi op bordjes doen als bij de Hello Fresh-reclame op tv, in plaats van zo’n grijze drab in een pan op tafel te zetten en het van daaruit op ons bord te kwakken?” Kwakken? Kwakken?! Ik kwak nooit iets. Ik bereid jullie eten met liefde, ja. Liefde! Ik vlij het zachtjes en teder op jullie bordjes. Vanuit de pan op tafel, ja. Dat wel. We zijn hier geen vijfsterrenrestaurant.

Maar de hond stond alleen maar irritant te keffen en moest toch genegeerd worden en we waren maar met zijn drieën want kind deel 2 at elders, en ik was toch al priegelig bezig met wortelschilletjes langzaam drogen in de oven voor de konijnen, dus wel ja. Hutspot rangschikken op een bordje kon er ook nog wel bij.

Nouvelle Cuisine

Wat denk je? Het hele bord leeg! Met mes én vork. Inclusief het bedje van rucola (voorheen: “wat is dat voor gore troep? Dat ga ik écht niet eten!”) en de garnituur van langzaam gekaramelliseerde rode (!) ui. Zonder ook maar één keer te zeiken.

Dus alles is liefde? Nee. Alles is uiterlijk. Geen twijfel meer over mogelijk. 😛

Moeras

Heeft iemand mijn frisse kereltje gezien?Je weet wel, dat vrolijke kind dat elke avond zingend onder de douche stond, zielsgelukkig met zijn zelf uitgezochte 3 voor de prijs van 1-badschuim? Hij is weg. Opgelost. Door het doucheputje gespoeld, denk ik. Er is iets heel anders door dat putje naar boven gekropen. Een alien kan ik het niet eens noemen, want het heeft in de verte, als ik mijn ogen half dichtknijp, nog wel iets bekends. Het is meer een soort… moerasmonster. Met een snorretje*. Groter dan ik, maar gelukkig nog niet breder. (“Zo”, zei de mevrouw van de bruidswinkel lang geleden. “U heeft wel brede schouders, hè?” Precies! Knappe moerasbewoner die dat kan overtreffen.)

Het moerasmonster is een apart dier. Het vindt het niet nodig om vaker dan 1, hóóguit 2x per week te douchen. De handdoek die het daarbij gebruikt gaat niet terug over het handdoekenrekje, nee zeg. Opgefrommeld in de kast van het moerashol, voor extra geureffect. Het moerashol zelf is een uiterst gezellige habitat. De vloer is zacht en warm – een prettige bijkomstigheid van alle gedragen kledingstukken die er liggen. Er hangt een intieme sfeer door de gesloten gordijnen. Strategische lichtelementen in de vorm van led-strips, alsmede de zachte gloed van schermverlichting van diverse apparaten, maken het geheel af.

Zucht. Ik mis hem wel eens, die frisse vrolijkerd met zijn hoge stemmetje. Oké, hij had nog niet de humor van het moerasmonster, en zo ad rem was hij ook niet, maar hij rook tenminste nog een beetje zoetig naar kind. Tegenwoordig heb ik de hoop maar gevestigd op grote hoeveelheden wasverzachter. Met in mijn achterhoofd het verhaal van mijn moeder, vroeger werkzaam op een middelbare school. “Je mag natuurlijk niemand voortrekken,” zei ze, “maar stiekem vond ik de jongetjes die naar wasverzachter roken toch nét iets beter te pruimen dan hun pukkelige leeftijdsgenootjes die au naturel door het leven gingen.” Waarvan akte.

*dat hij overigens na het zien van de schoolfoto’s, waarop het *kuch* nogal prominent aanwezig was, tegenwoordig zelf afscheert. Ja ja! En dan aan mij vragen of ik dat niet ook eens moet doen – nee, zeg ik dan, snoeien doet groeien, er komt NIEMAND aan mijn snor.

Sprinkhaan

Kennen jullie dat? Zo’n kind dat vers van de fiets als een soort meteoriet de koelkast in schiet? En dan eerst een oude magnetron-pannenkoek opvist en volpropt met nutella, vervolgens een potje zwarte olijven uit de voorraadkast trekt en er zo’n 20 opeet (gewoon lekker uit het potje met dat vorkje), en daarna nog eens een tosti met cheddar voor zichzelf maakt? Om uiteindelijk te eindigen met een blik groentesoep in zijn handen en tot de conclusie te komen dat dát toch echt te veel moeite is?

Wij noemen het De Sprinkhaan. Ook verantwoordelijk voor chipszakken met keurig netjes de wasknijper erop – maar dan wel leeg. Of borrelnootjes! MIJN borrelnootjes! Leeggegraasde koekverpakkingen. Eenzaam zwervende pakjes grillworst in de koelkast – minus de grillworst. De complete inhoud van een vaatwasser op het bureau op zolder. Willekeurig openstaande kastdeurtjes en drie verschillende flessen aanlenglimo zonder dopje op het aanrecht.

Datzelfde kind dat inmiddels groter is dan ik. Een héééél klein vlassig snorretje heeft als de zon erop schijnt (ik maak me nog geen zorgen, mijn snor is nog steeds groter) en mij laatst toevertrouwde dat hij ‘zichzelf toch best al wat volwassener geworden vond’. Ik begreep niet helemaal wat hij bedoelde. Doelde hij soms op die drie keer dat hij geroepen had dat hij wel wilde leren koken, om als puntje bij paaltje kwam toch maar nét iets anders veel belangrijkers op de iPad te doen te hebben? Of het feit dat hij tegenwoordig 2x per week in de sportschool iets met gewichten en een roeimachine doet? Pffft.

Hetzelfde kind dat zichzelf laatst had opgegeven om – op zaterdagochtend nota bene – mee te helpen bij de open dag van zijn school. Vrijwillig! Mijn moeder en mijn zus zijn langs geweest als spion (oké, ze gingen voor mijn neefje uit groep 8, detail), maar ook zij hebben geen verliefde gedragingen kunnen constateren. Plichtsbesef? Uit de goedheid van zijn hart? On-mo-ge-lijk!

Als klap op de vuurpijl stond hij gisteren ineens met een bakje vers gefrituurde bitterballen in mijn computerhok. Voor mij. Met een apart schaaltje mosterdsaus.

Zou het dan toch? Nee. Eerst zelf sokken opruimen. Stofzuigen. Kleren in de was doen. ‘s Avonds de verwarming dichtdraaien. Zelf aan de atlas denken bij een proefwerk aardrijkskunde. En een nieuwe liefde aan ons voorstellen.

Dan, ja dan ga ik het misschien geloven. En dan zorg ik voor de chips, bitterballen en jip-en-janneke-champagne om het te vieren, beloofd. Voor wat hoort wat.

Tot het zover is ga ik me gewoon weer even verdiepen in kindvriendelijke insectenbestrijding.

Pling

Het einde van het eerste jaar voortgezet onderwijs nadert, en dat betekent dat kind deel 1 zichzelf nu toch wel af vindt, na al die wijze lessen van conciërges over fietsen niet goed in het rek, verloren kluispassen en corvee. Nu is het gepokt en gemazeld, nu weet het de regels. Het weet wat er van hem verwacht wordt, en dat doet het natuurlijk allemaal braaf. Natúúrlijk! Want het is af.

Ikzelf denk dat het op zijn 40ste waarschijnlijk nog steeds niet af is, maar dat terzijde. En dat het vorige week, in de laatste volle lesweek nota bene, voor het eerst naar de conrector – of wacht, nee, afdelingshoofd heet dat geloof ik – moest vanwege ‘uit de les verwijderd door de docent’ (bron: Magister), dat heeft er verder ook niks mee te maken.

“Ik moest lachen om iets grappigs in het geschiedenisboek en dat zei ik toen tegen Sam, en toen moest ik eruit! En toen had ik last van mijn schouder dus ik zwaaide wat met mijn armen en toen moest de hele klas lachen want ze konden net mijn handen zien en toen vond de docent dat ik de áándacht probeerde te trekken en toen moest ik naar mevrouw H.!” De verontwaardiging kun je er zelf bij bedenken, de overslaande stem ook.

Die stem! Elke keer als hij me belt schrik ik me wild. “HOI MAM,” (waaaah!) “mijn ketting ligt er weer af. Hè? Ik ga écht niet lopen, hoor. Wat? Hoezó heb je de auto niet?” Grfphshhhh tuut.

Maar goed, het einde is dus nabij – al wordt dat niet overal altijd even goed geïnterpreteerd. “MAM!” (waaaah!) “Ik heb alwéér uitval! Nu ben ik al om 12 uur thuis! En ook nog eens bijna geen huiswerk! Ja, ik snap het ook niet. Lekker man, extra veel game-tijd! Dat mocht ook wel eens!”

“Uh huh. Zeg, waarom denk je eigenlijk zelf dat je zo vroeg naar huis mag? Zou dat zo maar zijn? Omdat ze je op school zo’n voorbeeldige leerling vinden? Of zou daar misschien toch wel een, ik weet niet, reden achter zitten? Iets met… PROEFWERKWEEK, misschien?”

Ja hal-lo, dat wist hij heus zelf ook wel, hoor. Pfff. Of ik eens een keer niet zo stom wilde doen. En of ik nou weg wilde gaan, want ik dacht toch niet dat hij die samenvatting van bio af ging krijgen als ik hem de hele tijd stoorde, of wel soms?

Pling, zei mijn telefoon een kwartier later. De link naar het zelfplakkende hoesje voor zijn telefoon. Als beloning, voor een jaar hard werken.

Puber… eh, tienerbrein

Weet je wat ik het ergst vind aan een puber? Of wacht, ik schijn het over een tiener te moeten hebben – want, zo zegt hoogleraar neuropsychologie Jelle Jolles in zijn boek Het Tienerbrein, puber heeft een te negatieve bijklank. Dat mag dan wel zo zijn, maar bij het woord tiener denk ik toch meer aan een Tina-meisje dat haar pony borstelt. Die associatie heb ik nou niet bepaald bij het ongenuanceerde geval dat zich – nog net – mijn zoon noemt.

Maar goed. Het ergste vind ik dus het mompelen. De achteloze verwensingen die tijdens het weglopen nog snel even over de schouder worden geworpen. De discussie is al klaar, en dan tóch nog gauw iets heel vuigs zeggen. Raaaaah! Kwader kun je mij niet krijgen. ‘Tja, het is een puber, hij kan niet anders dan zo reageren’?

Nee. Ik geloof echt wel dat er zich bepaalde processen voltrekken in dat erwtenbreintje en dat het daar dus echt last van heeft en het geen hersencellen meer overheeft voor subtiliteit, maar ergens moet er ook nog een gewoon mens verstopt zitten. En trouwens, we moeten ook rekening houden met de gemoedsrust van het Kleintje. Dat fluisterde laatst, na de zoveelste aanvaring, haast in tranen in de gang: “Mam, ik wil later niet zo worden. Ik wil gewoon leuk blijven!”

Gelukkig voor haar (en voor ons) kan hij écht ook nog af en toe heel lief zijn. Als hij zijn zusje knuffelt en we over haar hoofd heen even naar elkaar grijnzen om een rare uitspraak. Als ik ‘s ochtends mijn lenzen in sta te doen en hij heel impulsief zijn armen om me heen slaat en zijn neus in mijn rug duwt. Niet zo handig qua timing misschien, maar wél gezellig. Ook al schrik ik elke keer weer van het feit dat hij wéér drie centimeter is gegroeid.

In Het Tienerbrein gaat het, aldus het artikel uit VU Magazine, ‘niet zozeer om praten met je tiener in psychologische of pedagogische zin. Het gaat […] erom dat je je kind helpt om hersenfuncties te ontwikkelen: gericht denken en empathie. Dan pas kan het goed leren oordelen over situaties, over anderen en over zichzelf.’

Boek is besteld. Ik ben benieuwd!

Handleiding voor je puber tiener

Kledingkast

Ik kan me dat zo goed voorstellen. Dan sta je voor je kledingkast en je weet het allemaal niet meer. Je hebt niks! Alles is stom! Je wil niet! Dat feestje… je kent daar he-le-maal niemand. Niemand! En het is in zo’n dorp dat óók niks heeft, niet eens een snelwegafrit. Vloekend en tierend trek je de hele kast leeg. Nou dan gvd dit jasje dan maar, met die ene broek. Waar is die broek! Ja, in de wasmand natuurlijk. Schudschud klopklop, even wrijven en hup, kan nog best. Door naar de make-up – jezus, die wallen! Nee! Oké, achterin de la ligt nog zo’n tube BB-crème van 3 jaar oud waarvan je weet dat je erdoorheen gaat glimmen, maar je moet toch iets. Diep ademhalen en dooooooor.

En vervolgens sta je dus op dat feestje met je glas wijn, bij allemaal van die dorpsvrouwen die elkaar al honderd jaar kennen en al zes wijn verder zijn bovendien. Heb je eindelijk een gespreksonderwerp verzonnen, komt je zoon van pakweg 15 langsgewapperd. En dan schalt het door de kamer: “Hé, mam! Heb je tóch een groepje gevonden!”

Stiekem was ik heel jaloers. Wat een jongen. Wat een inzicht! Wat een sociaal bewustzijn! Daarbij vergeleken is die van mij nog maar een larf. Wat zeg ik, een amoebe. Die komt meestal niet verder dan zijn eigen navel. Het draait om hem en om zijn haar, en zijn favoriete vorm van sociale interactie is zijn moeder negeren en vloeken tegen de andere spelers in zijn computerspel.

Toen dacht ik: weet je wat, ik ga dat ook eens doen. Vloeken? Nee joh. Dat doe ik natuurlijk nóóit tijdens het gamen. Wijn drinken en mijn kledingkast leegtrekken? Been there, done that. Nee, ik bedoel de non-communicatie. Gewoon alle kabeltjes van de router eruit rukken. Woehoe, die, en die, en ja, die lichtgrijze ook! Hé, kijk, en daar staat ook nog een kastje, holladiejee!

Kan het iedereen aanraden. Zo leuk, die verblufte reactie. WTF? Jaaaaa, wat is dit nou weer? Hij klapt eruit! Ik was net eindelijk aan het winnen en hij klapt er dus gewoon uit! Wat is dit voor kloteding? Hoe kan dat fucking spel er nou gewoon uit knallen? (3, 2, 1…) Maaaaaaaaaaaaaaaam! Mijn internet ligt eruit! Jongen, echt? Nou, wat raar zeg! Nee, ik begrijp er ook helemaal niets van!

WOEHAHAHAHA.

Beetje jammer was wel dat ik daarna zelf ook nog even lekker wilde gaan gamen. Wat moet je anders, op zo’n stormachtige zondag. En dat ik toen dus niet meer wist welk kabeltje ook alweer waar moest. Ahem. Misschien dat ik toen wel heb gevloekt. Een klein beetje maar.

Schijtkonijn – ik bedoel: hoera! Vakantie!

Herfstvakantie is:

– dat schijtkonijn wéér uit de kruidentuin vissen, en weer, en weer, en weer, ondanks het inmiddels Bijlmerbajes-waardige hekwerk. Dan maar opsluiten in hok – totdat het als een echte crimineel, met medewerking van konijnenmaat De Pluizige Handlanger, weet te ontsnappen en hop, zo de weer kruidentuin in springt. En dan klagen dat die diarree maar niet over gaat! Uh huh.

– je hele Facebookpagina afzoeken naar het recept voor die gemberkoekjes. Gisteren nog gezien, nu onvindbaar. Grrr.

– denken aan Insanity vanwege dat toch wel hoge getal op de weegschaal bij weegactie met en zonder konijn zojuist. Maar ook beetje duizelig en niet lekker zijn (ligt dat soms aan het jaargetijde?!) dus verder dan denken komt het waarschijnlijk niet.

– kibbelende kindertjes die samen een racebaan bouwen op de computer. Wat is er gebeurd met de realtime racebaan? Denken aan Project Haal De Kist Met Racebaan Onder de Trap Vandaan. Misschien. Kan bijna niet zonder Project Laten We Die Hoek Eens Helemaal Uitmesten. Hmph.

– vinden dat je straks bij ritje naar bieb en ritje naar dierenarts vanwege schijtkonijn (maat is vol) en konijn dat nog ingeënt moet OOK buiten bent geweest.

– Project Wij Gaan Naar Het Zwembad gewoon uitstellen.

Mist

Ik besta niet meer.

Wat? Nee, dat komt niet door carnaval – eh, het dorpsfeest. Dronken? Ik was helemaal niet dronken! Ik heb zelfs een half biertje laten staan. Ik ging naar de wc, en toen ik terug kwam, wist ik niet meer welke van mij was. De keer erna heb ik het maar meegenomen de wc in. Veel veiliger.

Maar echt, ik ben verdwenen. Lucht. Mist. Een dauwdruppel ’s ochtends in het eerste zonlicht – even is hij er en dan… poef. Weg.

Het kijkt niet meer naar me. Als ik het ophaal van brugklaskamp, dan ziet het me wel, o, zeker. Maar het wil me niet zien. Het steekt met gestrekte arm naar beneden een heel klein handje op. Met het blote oog nauwelijks waar te nemen voor hen die niet de moeder zijn. Het volgende contact is dan de grote weekendtas die op mijn voeten wordt geworpen. Hoi, zoon. Leuk dat je er weer bent. Kijk nou toch eens, al die kinderen die wél reikhalzend naar hun moeder uitkijken! Die haar – nee toch! – omhelzen! Wat een rare types, hè? Een duw en een “ben je nou eindelijk klaar, mam?” is alles wat ik krijg.

Zou het ooit nog goed komen? Zou het ooit nog iets van me aannemen? Liefde? Advies? Iets anders dan een Playstation 4, een iPhone 7 of gewoon, geld voor Star Wars Battlefront?

Ik weet het niet. Ik denk aan de afgelopen 12 jaar en houd mezelf dapper voor dat het over nóg eens 12 jaar wel weer beter zal zijn. Dan torent het boven me uit en zegt het: “Hee, ma! Biertje?” Tot die tijd moet ik de diepe zuchten en boze blikken maar gewoon doorstaan.

En als je me vanavond dus tegenkomt in de feesttent, in mijn mistige vorm, zeg dan gewoon even, hee, Meik, wat LEUK dat je er bent! Dan word ik misschien weer wat zichtbaarder. Me een biertje geven is optioneel. Meegaan naar de wc ook.