Mannen in huis

Halleluja! Hij doet het weer. Er hoeven zich geen studentikoze taferelen meer af te spelen in huize M. Nou was het gelukkig niet zo dat het van het fornuis via het aanrecht tot op de grond stond. Er was ook nog geen schimmel waar te nemen in wekende pannen of oude kopjes half leeggedronken koffie, en een schema waar toch niemand zich ooit aan hield was ook nog niet nodig. Maar toch. Van een gezellig spoelende werkende glokglokglok-machine word ik immens veel blijer.

Het erge is alleen dat vóórdat zo’n ding het weer doet, er iemand langs moet komen. En je weet dus niet wie het is. Normaal gesproken kan ik mijn liefhebbende echtgenoot nog wel van het feit overtuigen dat het echt hoogstnoodzakelijk is dat híj erbij is, want weet ik veel hoe al die onderdelen heten en wat er precies stuk is, ik zeg altijd precies het verkeerde, straks gaat die man iets heel anders repareren en wat dan, je kent het wel.

Dat was deze keer helaas niet gelukt. En dan ga ik dus elke drie minuten uit het keukenraam kijken of er al zo’n busje aankomt. Om dan, als het er is, snel aan tafel te gaan zitten, want nog voordat er is aangebeld met een zwaai de voordeur opendoen is ook zo hysterisch. (Dan kan je net zo goed meteen je negligéetje aantrekken en… Eh. Nee, ander soort verhaal.) Vervolgens duurt het echt altijd HEEL lang voordat zo iemand dan vanuit zijn busje bij de voordeur is. Ik weet ook niet waarom.

Het volgende dilemma is dan weleenhand-geenhand-weleenhand-geenhand. Oké, we doen het gewoon: weleenhand! En dan terwijl je de hand geeft denken: geef je reparatiemeneren eigenlijk wel een hand? oh nee, misschien wil hij wel helemaal geen hand geven. Misschien voelt hij zich dan net zo ongemakkelijk als ik. Maar ja, dan is het al te laat.

Goed, zo’n meneer gaat aan de slag. En dan? Wat doe jij dan? Je kunt niet doen wat je het liefst zou willen doen: naar boven gaan en je op zolder verstoppen tot hij weer weg is. Die leeftijd hebben we gehad. Dan maar weer aan die tafel. Een beetje scheef op de stoel, want misschien wil hij wel wat weten en je wilt ook niet zo overkomen alsof hij de bediende is en jij net doet alsof hij er niet is. Eh. De konijnen water gaan geven? Hm, dat is buiten, dat is misschien nog net geaccepteerd. Moet ik alleen even het gietertje pakken. Dat… in het gootsteenkastje zit – náást waar die meneer op zijn knieën half in de vaatwasser ligt. Geen optie.

Blijft er nog maar één ding over: de maandagkrant. En zo weet ik nu dus alles van kerstbomen. Van de 50-plus partij. Van Michelinsterren en een politica die volgens mij ooit de hospita van mijn zus was (en toen ook al *ahem* lichtelijk contactgestoord). De nieuwe FNV-voorzitter. Een meneer die protestpiemels van hout maakt. Het belang van de forensisch arts dat miskend wordt door de overheid. Wilders die zeker tot 2026 geen minister-president kan worden want geen VOG. Waarom een sporter voorovergebogen uithijgt en dat Lactacyd vrouwonvriendelijke spotjes maakt. Dat goedkope wijn niet bestaat (niet?!) en dat je van etnisch profileren best boos mag worden, maar dat je het positief moet benaderen. Oh, en Bridget Jones’s Diary is vanavond op tv.

Toen ging de meneer weer weg, nadat ik hem innig dankbaar een hand had gegeven omdat hij de reparatie onder garantie had uitgevoerd terwijl we helemaal geen garantie meer hadden, en hij me óók nog een flesje vaatwasserontvetter cadeau had gedaan. Topgozer.

Glok glok

Halleluja! Hij doet het weer. Er hoeven zich geen studentikoze taferelen meer af te spelen in huize Meima. Nou was het gelukkig niet zo dat het van het fornuis via het aanrecht tot op de grond stond. Er was ook nog geen schimmel waar te nemen in wekende pannen of oude kopjes half leeggedronken koffie, en een schema waar toch niemand zich ooit aan hield was ook nog niet nodig. Maar toch. Van een gezellig spoelende werkende glokglokglok-machine word ik immens veel blijer.

Het erge is alleen dat vóórdat zo’n ding het weer doet, er iemand langs moet komen. En je weet dus niet wie het is. Normaal gesproken kan ik mijn liefhebbende echtgenoot nog wel van het feit overtuigen dat het echt hoogstnoodzakelijk is dat híj erbij is, want weet ik veel hoe al die onderdelen heten en wat er precies stuk is, ik zeg altijd precies het verkeerde, straks gaat die man iets heel anders repareren en wat dan, je kent het wel.

Dat was deze keer helaas niet gelukt. En dan ga ik dus elke drie minuten uit het keukenraam kijken of er al zo’n busje aankomt. Om dan, als het er is, snel aan tafel te gaan zitten, want nog voordat er is aangebeld met een zwaai de voordeur opendoen is ook zo hysterisch. (Dan kan je net zo goed meteen je negligéetje aantrekken en… Eh. Nee, ander soort verhaal.) Vervolgens duurt het echt altijd HEEL lang voordat zo iemand dan vanuit zijn busje bij de voordeur is. Ik weet ook niet waarom.

Het volgende dilemma is dan weleenhand-geenhand-weleenhand-geenhand. Oké, we doen het gewoon: weleenhand! En dan terwijl je de hand geeft denken: geef je reparatiemeneren eigenlijk wel een hand? oh nee, misschien wil hij wel helemaal geen hand geven. Misschien voelt hij zich dan net zo ongemakkelijk als ik. Maar ja, dan is het al te laat.

Goed, zo’n meneer gaat aan de slag. En dan? Wat doe jij dan? Je kunt niet doen wat je het liefst zou willen doen: naar boven gaan en je op zolder verstoppen tot hij weer weg is. Die leeftijd hebben we gehad. Dan maar weer aan die tafel. Een beetje scheef op de stoel, want misschien wil hij wel wat weten en je wilt ook niet zo overkomen alsof hij de bediende is en jij net doet alsof hij er niet is. Eh. De konijnen water gaan geven? Hm, dat is buiten, dat is misschien nog net geaccepteerd. Moet ik alleen even het gietertje pakken. Dat… in het gootsteenkastje zit – náást waar die meneer op zijn knieën half in de vaatwasser ligt. Geen optie.

Blijft er nog maar één ding over: de maandagkrant. En zo weet ik nu dus alles van kerstbomen. Van de 50-plus partij. Van Michelinsterren en een politica die volgens mij ooit de hospita van mijn zus was (en toen ook al *ahem* lichtelijk contactgestoord). De nieuwe FNV-voorzitter. Een meneer die protestpiemels van hout maakt. Het belang van de forensisch arts dat miskend wordt door de overheid. Wilders die zeker tot 2026 geen minister-president kan worden want geen VOG. Waarom een sporter voorovergebogen uithijgt en dat Lactacyd vrouwonvriendelijke spotjes maakt. Dat goedkope wijn niet bestaat (niet?!) en dat je van etnisch profileren best boos mag worden, maar dat je het positief moet benaderen. Oh, en Bridget Jones’s Diary is vanavond op tv.

Toen ging de meneer weer weg, nadat ik hem innig dankbaar een hand had gegeven omdat hij de reparatie onder garantie had uitgevoerd terwijl we helemaal geen garantie meer hadden, en hij me óók nog een flesje vaatwasserontvetter cadeau had gedaan. Topgozer.

Puber… eh, tienerbrein

Weet je wat ik het ergst vind aan een puber? Of wacht, ik schijn het over een tiener te moeten hebben – want, zo zegt hoogleraar neuropsychologie Jelle Jolles in zijn boek Het Tienerbrein, puber heeft een te negatieve bijklank. Dat mag dan wel zo zijn, maar bij het woord tiener denk ik toch meer aan een Tina-meisje dat haar pony borstelt. Die associatie heb ik nou niet bepaald bij het ongenuanceerde geval dat zich – nog net – mijn zoon noemt.

Maar goed. Het ergste vind ik dus het mompelen. De achteloze verwensingen die tijdens het weglopen nog snel even over de schouder worden geworpen. De discussie is al klaar, en dan tóch nog gauw iets heel vuigs zeggen. Raaaaah! Kwader kun je mij niet krijgen. ‘Tja, het is een puber, hij kan niet anders dan zo reageren’?

Nee. Ik geloof echt wel dat er zich bepaalde processen voltrekken in dat erwtenbreintje en dat het daar dus echt last van heeft en het geen hersencellen meer overheeft voor subtiliteit, maar ergens moet er ook nog een gewoon mens verstopt zitten. En trouwens, we moeten ook rekening houden met de gemoedsrust van het Kleintje. Dat fluisterde laatst, na de zoveelste aanvaring, haast in tranen in de gang: “Mam, ik wil later niet zo worden. Ik wil gewoon leuk blijven!”

Gelukkig voor haar (en voor ons) kan hij écht ook nog af en toe heel lief zijn. Als hij zijn zusje knuffelt en we over haar hoofd heen even naar elkaar grijnzen om een rare uitspraak. Als ik ‘s ochtends mijn lenzen in sta te doen en hij heel impulsief zijn armen om me heen slaat en zijn neus in mijn rug duwt. Niet zo handig qua timing misschien, maar wél gezellig. Ook al schrik ik elke keer weer van het feit dat hij wéér drie centimeter is gegroeid.

In Het Tienerbrein gaat het, aldus het artikel uit VU Magazine, ‘niet zozeer om praten met je tiener in psychologische of pedagogische zin. Het gaat […] erom dat je je kind helpt om hersenfuncties te ontwikkelen: gericht denken en empathie. Dan pas kan het goed leren oordelen over situaties, over anderen en over zichzelf.’

Boek is besteld. Ik ben benieuwd!

Handleiding voor je puber tiener