Uittocht

En toen… waren ze ineens allemaal weer pleite. Op de fiets naar het werk (“De auto staat voor de deur hè! Hier zijn de autopapieren!”), of naar school, die ene die inmiddels vertrouwd is. De andere school, de grote onbekende, bezochten we gisteravond voor de officiële opening van het schooljaar. Het rook er naar muf oud gebouw, en ja, ik moest wel even slikken toen alle kindertjes in de aula om de beurt even op moesten staan bij het noemen van hun naam. Wat een frisse koppies allemaal.

Vanochtend was kind deel 1 al ruimschoots vóór de afgesproken tijd in opperste staat van paraatheid. Of ik een foto mocht maken van onze verse brugpieper? Mam, wat denk je zelf. Nee! Echt niet? Ah, toe, leuk voor later? Nee! Ook niet heel even? Ik zet hem nergens neer, niet op Facebook, niet op Insta, ik stuur hem alleen naar omie. Echt waar, beloofd! Jezus mam, als ik 1x nee zeg is het ook nee hoor! Ha. Blijkbaar hoort-ie dus toch heus wel eens iets. Beetje jammer om dat uitgerekend op dit moment terug te krijgen, maar toch.

Toen ik 3 minuten later met het kleintje (ik vind dat ik haar nu nog zo mag noemen, de laatste der Mohikanen) langs de middelbare-school-afspreekplek fietste, stond er al niemand meer. Zo’n mentor kan nog zo hard roepen “Komen jullie maar iets later, want om 9:00 uur is het hier echt heel erg vol”, bij zoveel jeugdige bolletjes zenuwen bij elkaar zet dat geen zoden aan de dijk. Zoef.

Ach, dacht ik weemoedig. Was ik nou toch maar lerares op een middelbare school geworden. Zíjn middelbare school, zoals mijn moeder vroeger bij mij. Dan had ik stiekem nog even kunnen gluren naar al die friemelende frisheid in die muffige hal. In plaats daarvan ga ik nu maar op zoek naar herbruikbare broodzakjes. Want een broodtrommel, nee, dat kan echt niet meer. Duh.