Surpriiiiise!

Het komt eraan; het kriebelt. Alle tekenen zijn er.

Geluiden over foto’s maken op een kerstfestival. De eerste keer weer auto krabben. Konijnen die hun pluizigste winterjasjes aan hebben. Foto’s van sneeuw in de Alpen. Alle wintersportkleding naar beneden voor de jaarlijkse inventarisatie. (Godallemachtig, hoeveel paar sneeuwlaarzen kan een mens hebben? En hoezo zit de goede maat voor kind deel 2 er dan nog steeds niet bij?!)

En laten we voorál mijn persoonlijke favoriet niet vergeten: de surprises voor school. Waarvoor je steevast het lootje veel te laat ontvangt, zodat je nog maar twee weekends hebt, waarvan je er één half weg bent en één helemaal. De zondagmiddag was nog nooit zo gezellig.

“Weet ik veel,” snauwt de bijna-puber, terwijl hij nog een mini-frikandel (aangedragen ter verhoging van de feestvreugde) naar binnen propt. En kind deel 2, nadat ik – braaf als ik ben – een A3-vel helemaal vol heb getekend met hokjes: “Jaaaa, ik ga een patroon als een schaakbord kleuren!” Om na twee rijtjes erachter te komen dat dat toch echt heel erg veel werk is en dat de favoriete serie op Netflix (iets met larven, vraag maar niet) duizend keer leuker is, zodat ík vervolgens hokjes zit te kleuren.

Ondertussen doet Piet zonder leesbril dingen met schoenendozen, satéprikkers en drie-secondenlijm, ook altijd leuk, en ik schrijf tussen de bitterballen door toch wel al vier regels van gedicht nummer 1. “Jongens, wat rijmt er op zwembad?” Twee paar ogen kijken mij glazig aan. “Weet ik veel,” snauwt de bijna-puber. “Kijk mam, die ene larf ontploft bijna!” roept deel 2.

Doe mij nog maar een port…

Rollator

Misschien was naar de tandarts gaan met de duizeligheid die zijn kop weer had opgestoken niet het allerbeste idee dat ik ooit heb gehad. Ik ben naar huis gelopen met de fiets als rollator.

Hallo, bank. Hallo, wolken door het raam. Hé, spreeuwen. Jullie ook weer hier? Sorry, geen druiven meer. Wel een potje pindakaas. Maar niet allemaal tegelijk, hè? Het is de BZT-show niet.

Ortho

Donderdagochtend, 7:33 u. Ik slof naar de koelkast voor mijn bakje ‘s nachts in kwark en sojamelk geweekte havermout. (Is echt niet zo goor als het klinkt. Echt niet.) Piet staat in zijn geblokte pyjama en teenslippers met wild haar boterhammen te smeren. Ik geloof dat we in het voorbijgaan “Hrrrmpf” tegen elkaar gezegd hebben, meer zit er niet in op dat tijdstip.

Nyn zit achter de laptop haar dagelijkse voorschoolse ik-ben-klaar-met-alles-dus-nu-mag-het rondje Minecraft te doen. Ol hipt fris gekamd en ge-axed de keuken door. “Hé,” merkt hij terloops op. “Ik moest vandaag toch naar de ortho?”

Ik zie Piet verstijven. Het mes blijft boven het boterkuipje hangen, de boterham valt in slow motion terug op het aanrecht. KABAM!

Drie minuten later dendert hij de trap weer af. “Ik douche straks wel als we terug zijn,” roept hij hijgend. Ol staat intussen doodkalm klaar in het halletje. Hippe schoentjes aan, jas netjes dichtgeritst. “Doei, mam!” Ze hebben nog 9 minuten.

Ik maak de boterhammetjes af, verdeel de druiven over de fruitbakjes, maak de roosvicée, vraag aan Nyn welke overblijfsnack bij wie hoort, stop alles in de juiste tassen. Gym, o ja, eentje heeft er gym. Even ruiken of de gymkleren nog kunnen, ja, hoera voor wasverzachter en deo, huppetee, terug in de tas ermee. Ik wring Nyns weerbarstige haardos in een paardenstaart. Als altijd duikt ze weg als ik haar een kus op haar wang wil geven. Geeft niks, deed ik ook op die leeftijd. Moeders ruiken niet naar rozen ‘s ochtends vroeg. Ik weet dat.

Zo. Alles weer onder controle, en nog tijd over zelfs. Geen stress, alles zen. Ik maak mijn koffie en sjok terug naar mijn bakje havermout.

En dan verstijf ik. “Ja… maar! Wie brengt Nyn dan naar school? Kut!”

Vijftien minuten later dender ik de trap weer af. (Ja, sorry, ik moet én deo rollen, én mijn gezicht reinigen, én crème smeren, én mijn lenzen indoen, én mijn tanden poetsen, én mijn haar ontplatten én mijn kleren aantrekken én mascara aanbrengen!) Hijgend ren ik het halletje in. Nyn staat doodkalm klaar. Schoenen aan, jas netjes dicht, rugzak in de ene hand, fietssleutel in de andere.

“Mam,” zegt ze even later, als we de bocht om gaan richting de dijk. “Ik vind het dus echt heel erg stom dat ik nog niet zelf naar school mag fietsen.”